“Ja, ja, weer zo’n idealistisch verhaal. Kom eens een weekje voor mijn klas staan!” Herken je die stem in je hoofd? Die stem die bij het lezen van onderwijsartikelen zuchtend denkt: “Mooi in theorie, maar in mijn klas werkt dat écht niet.”

Ik hoor je. Echt waar.

In mijn zestien jaar voor de klas in het mbo voelde ik die scepsis zelf ook regelmatig. Die klas met 28 leerlingen die na de lunchpauze binnenstormt. Die mbo-student die liever op TikTok of Youtube zit dan in je les. Of die leerling die na drie waarschuwingen nog steeds door je uitleg heen praat. En toch… juist in die momenten van frustratie ligt een kans verborgen.

Een kans die begint bij iets wat bijna té simpel klinkt: je eigen overtuiging. Want wat als het waar is dat één simpele gedachte – “Deze leerling zit hier vandaag omdat hij of zij hier wíl zijn” – het verschil kan maken tussen een dag vol strijd en een dag van betekenisvol contact?

Sceptisch? Dat mag. Maar lees toch even verder. Want wat als het wél werkt?

De kracht van een eenvoudig uitgangspunt

In de drukte van een schooldag, tussen alle lessen, administratie en vergaderingen door, vergeten we als docent soms de meest fundamentele vraag: waarom zitten mijn leerlingen vandaag eigenlijk in de klas? Het antwoord lijkt voor de hand liggend, maar als we echt stilstaan bij deze vraag, opent zich een wereld van mogelijkheden die het hele leerklimaat kan transformeren.

Stel je eens voor dat je elke dag begint met deze gedachte: “De leerling zit vanochtend in mijn klas, dus is al vroeg opgestaan, van huis gegaan en hier naartoe gekomen en dus wil hij of zij er om de een of andere reden zijn.” Deze simpele observatie bevat een krachtige waarheid. Leerlingen zijn er niet toevallig. Ze hebben de moeite genomen om op te staan, zich klaar te maken en naar school te komen. Of ze nu gedreven worden door leergierigheid, sociale contacten, of simpelweg omdat het moet van hun ouders – er is een reden waarom ze in jouw klas zitten.

Wanneer we dit als uitgangspunt nemen, verandert onze blik. In plaats van te focussen op wat er misgaat, beginnen we te zien wat er goed gaat. En dat kleine verschil in perspectief heeft verstrekkende gevolgen.

De invloed van de docent op het leerklimaat

Als docent hebben we meer invloed dan we vaak beseffen. Onderzoek toont keer op keer aan dat de verwachtingen van een docent een significant effect hebben op de prestaties van leerlingen. Dit fenomeen, bekend als het ‘Pygmalion-effect’, laat zien dat wanneer docenten positieve verwachtingen hebben van hun leerlingen, deze leerlingen beter presteren. Maar het gaat verder dan alleen verwachtingen. Het gaat om de hele houding waarmee we de klas binnenstappen. Geloven we dat elke leerling het potentieel heeft om te groeien en te leren? Of hebben we al vooraf besloten welke leerlingen “moeilijk” of “ongemotiveerd” zijn?

Een positieve benadering betekent niet dat we problemen negeren, maar dat we ze anders interpreteren. Het betekent dat we geloven in de goede intenties van onze leerlingen, zelfs als hun gedrag soms het tegendeel lijkt te suggereren.

Omgaan met uitdagend gedrag

De realiteit in de klas is natuurlijk niet altijd rooskleurig. Er zijn leerlingen die het moeilijk vinden om mee te doen, die de les verstoren of die ogenschijnlijk ongemotiveerd zijn. De traditionele reactie is vaak bestraffend: waarschuwingen, verwijderingen, strafwerk. Maar wat gebeurt er als we verder kijken dan het gedrag? Als we ons afvragen wat de behoefte is achter dat gedrag? Misschien zoekt de leerling die voortdurend grappen maakt aandacht omdat hij thuis wordt overschaduwd door broers of zussen. Misschien is de leerling die weigert mee te doen bang om te falen, na jaren van negatieve ervaringen. Misschien heeft de leerling die constant op zijn telefoon zit behoefte aan sociale bevestiging die hij in de klas niet vindt.

Door te zoeken naar de behoefte achter het gedrag, kunnen we strategieën ontwikkelen die aansluiten bij wat deze leerlingen echt nodig hebben. En wat blijkt? Als we aan die onderliggende behoeften tegemoetkomen, neemt het ongewenste gedrag vaak vanzelf af.

De impact op de hele klas

Het mooie is dat deze aanpak niet alleen werkt voor de individuele ‘probleemgevallen’. Wanneer je als docent consequent kiest voor een positieve benadering, heeft dat invloed op de hele klassendynamiek:

  • Leerlingen voelen zich gezien en gewaardeerd, waardoor ze meer betrokkenheid tonen
  • Er ontstaat een veilige leeromgeving waarin fouten maken mag
  • De intrinsieke motivatie neemt toe, omdat leerlingen ervaren dat je in hen gelooft
  • De sfeer wordt positiever, wat leidt tot meer samenwerking en onderlinge hulp
  • Er ontstaat meer ruimte voor differentiatie, omdat de focus verschuift van controleren naar faciliteren
Overtuigingen ombuigen

Overtuigingen zijn inderdaad hardnekkig. Ze zijn vaak diep geworteld in onze ervaringen en worden versterkt door de verhalen die we onszelf vertellen. Als docent kun je bijvoorbeeld na een reeks negatieve ervaringen met een bepaalde klas de overtuiging ontwikkelen dat “deze leerlingen gewoon niet willen leren” of “deze groep is nu eenmaal moeilijk”. Zulke overtuigingen functioneren als filters waardoor we de werkelijkheid waarnemen. Het probleem is dat ze een selffulfilling prophecy kunnen worden: we zien vooral gedrag dat onze overtuigingen bevestigt en negeren wat er niet in past.

  1. Word je bewust van je huidige overtuigingen. Welke gedachten heb je over je leerlingen? Schrijf ze op, zonder oordeel. Bijvoorbeeld: “Ik geloof dat leerlingen van het vmbo minder gemotiveerd zijn” of “Ik denk dat sommige leerlingen gewoon niet kunnen leren.”
  2. Vraag je af waar deze overtuigingen vandaan komen. Zijn ze gebaseerd op feiten of op interpretaties? Op een handvol ervaringen of op systematische observatie? Op je eigen observaties of op wat anderen je hebben verteld?
  3. Zoek naar tegenvoorbeelden. Ons brein heeft de neiging om bewijs te zoeken dat onze overtuigingen bevestigt. Daag jezelf uit om actief te zoeken naar situaties die je overtuigingen tegenspreken. Die ene ‘moeilijke’ leerling die toch enthousiast meedeed bij een bepaalde activiteit. Die ‘ongemotiveerde’ klas die ineens tot leven kwam bij een ander onderwerp.
  4. Experimenteer met het ‘alsof-principe’. Je hoeft niet meteen je overtuigingen te veranderen. Probeer gewoon eens een les te geven alsof je gelooft dat elke leerling gemotiveerd is en wil leren. Hoe zou je je gedragen? Wat zou je anders doen? Soms volgt de overtuiging het gedrag, in plaats van andersom.
  5. Herformuleer je overtuigingen. Vervang absolute termen (“altijd”, “nooit”, “alle leerlingen”) door genuanceerdere formuleringen. In plaats van “Deze klas is ongemotiveerd” wordt het “In deze klas zie ik momenteel weinig zichtbare tekenen van motivatie, maar dat betekent niet dat de motivatie er niet is.”
  6. Reflecteer op successen. Houd een ‘succesjournaal’ bij waarin je dagelijks minimaal drie positieve interacties of momenten noteert. Dit helpt je brein om nieuwe neurale paden te vormen die gericht zijn op het zien van positieve aspecten.
  7. Vind een kritische vriend. Soms zitten we zo vast in onze overtuigingen dat we hulp van buitenaf nodig hebben. Vraag een collega om je te wijzen op momenten waarop je handelt vanuit beperkende overtuigingen.
Van overtuiging naar praktijk

En dan lukt het je om met een of meer van bovenstaande tips je mindset om te buigen. Hoe vertaal je een positieve mindset nu naar concrete acties in de klas? Hier zijn enkele praktische suggesties:

  • Begin de dag met een persoonlijk welkom. Sta bij de deur en begroet elke leerling individueel. Een klein gebaar dat een groot verschil maakt.
  • Investeer in relaties. Neem de tijd om je leerlingen echt te leren kennen. Vraag naar hun interesses, dromen en uitdagingen.
  • Blijf zoeken naar de sterke punten. Elke leerling heeft talenten en capaciteiten. Benoem deze expliciet en creëer momenten waarop ze kunnen schitteren.
  • Reageer op gedrag, niet op de persoon. Maak duidelijk onderscheid tussen wat een leerling doet en wie een leerling is. “Ik zie dat je moeite hebt om je te concentreren” is anders dan “Je bent ongeïnteresseerd.”
  • Wees nieuwsgierig. Als een leerling zich afwijkend gedraagt, vraag dan (op een rustig moment) wat er speelt. “Ik merk dat je vandaag veel afgeleid bent. Is er iets waar ik je bij kan helpen?”
  • Maak je verwachtingen expliciet. Leerlingen floreren bij duidelijkheid. Bespreek aan het begin van het jaar je verwachtingen en leg uit waarom deze belangrijk zijn.
  • Vier successen. Besteed aandacht aan wat goed gaat, hoe klein ook. Vooruitgang is vooruitgang, ongeacht de grootte van de stap.
Overtuigingen omkeren als team

Maar dan… Je zet de knop om en gaat aan de slag met je nieuwe positieve overtuigingen. Je komt vervolgen de koffiekamer in en valt middenin een gesprek tussen twee docenten die even stoom afblazen over een les die niet ging, leerlingen die weer een keer niet wilden of onhandelbaar waren. En direct ben je geneigd om mee te gaan in dit gesprek. En daar komt je oude overtuiging toch weer bovendrijven. Herkenbaar? Vast wel.

Stoom afblazen moet af en toe best kunnen. Het is zelfs noodzakelijk in dit vaak pittige beroep. Onderwijs is nu eenmaal topsport. Toch ligt hier het gevaar op de loer dat tijdelijke frustratie zich omzet in vaste overtuigingen. Niet voor niets is het gezegde: “Wat je water geeft, groeit”. Na het afblazen van stoom, is het dus belangrijk om samen de positieve flow weer op te zoeken. Dat kan met de volgende strategieën:

1. Maak overtuigingen bespreekbaar. Begin met het vaststellen of een veel gedane uitspraak voortkomt uit een overtuiging of uit frustratie. Creëer een veilige ruimte waarin teamleden kunnen praten over hun overtuigingen. Dit kan tijdens teamdagen, intervisie of speciale sessies. Gebruik werkvormen die uitnodigen tot reflectie, zoals een dialoog-walk-in of stellingenspel.

2. Bepaal samen hoe je deze overtuigingen kunt ombuigen. Ga in gesprek over welke alternatieve perspectieven er mogelijk zijn. Bijvoorbeeld: van “Deze klas is ongemotiveerd” naar “Deze klas heeft nog niet ontdekt wat hen motiveert”. Stel concrete acties vast die jullie als team kunnen ondernemen om deze nieuwe overtuigingen in praktijk te brengen.

3. Deel succesvolle praktijken. Organiseer regelmatig momenten waarop collega’s kunnen delen wat wél werkt, vooral bij leerlingen of klassen die als ‘moeilijk’ worden ervaren. Dit geeft hoop en laat zien dat verandering mogelijk is. Een korte “succes van de week”-ronde aan het begin van een teamvergadering kan al een groot verschil maken.

4. Leer van elkaar door observatie. Kijk bij collega’s in de les die een positieve benadering hanteren. Wat doen zij anders? Wat kun je van hen leren? Peer observation kan een krachtig middel zijn om je eigen praktijk te toetsen en te verbeteren. Maak hiervoor samen tijd vrij in het rooster.

5. Ontwikkel een gezamenlijke taal. Spreek als team af welke termen jullie gebruiken om over leerlingen te praten. Vermijd labels als ‘moeilijke leerling’ of ‘probleemgroep’ en focus op specifiek gedrag en behoeften. Spreek elkaar vriendelijk aan wanneer iemand vervalt in negatieve labeling.

6. Vier kleine successen samen. Maak tijdens vergaderingen tijd vrij om successen te delen, hoe klein ook. Een leerling die voor het eerst een vraag durfde te stellen, een klas die onverwacht goed reageerde op een nieuwe aanpak – het zijn deze momenten die helpen om overtuigingen te verschuiven. Documenteer deze successen bijvoorbeeld in een gedeeld digitaal logboek.

7. Maak het meetbaar. Meet aan het begin en eind van het schooljaar hoe docenten denken over hun leerlingen en klassen. Gebruik bijvoorbeeld een vragenlijst met stellingen als “Ik geloof dat al mijn leerlingen in staat zijn om te groeien” of “Ik heb invloed op het gedrag van mijn leerlingen”. Dit maakt de verandering in overtuigingen zichtbaar en geeft richting aan teamontwikkeling.

8. Betrek leerlingen. Laat leerlingen feedback geven over hoe zij de interactie met docenten ervaren. Dit kan confronterend zijn, maar biedt ook waardevolle inzichten in hoe onze overtuigingen ons gedrag beïnvloeden en hoe leerlingen daarop reageren. Gebruik bijvoorbeeld regelmatig korte enquêtes of organiseer panelgesprekken met leerlingen.

Conclusie: een kwestie van overtuiging en oefening

Uiteindelijk draait veel om je overtuiging als docent. Geloof je dat leerlingen van nature gemotiveerd zijn om te leren? Geloof je dat problematisch gedrag vaak een signaal is van onvervulde behoeften? Geloof je dat jij als docent het verschil kunt maken? Als je deze vragen met ‘ja’ kunt beantwoorden, dan heb je de sleutel in handen tot een positiever leerklimaat. Het is geen magische formule die alle problemen oplost, en het vraagt om consistentie, geduld en voortdurende reflectie. Maar de beloning is groot: meer betrokken leerlingen, een plezierigere werksfeer en uiteindelijk betere leerresultaten.

Want laten we eerlijk zijn: niemand wordt docent om voortdurend politieagent te spelen in de klas. We worden docent omdat we geloven in de potentie van jonge mensen, omdat we hen willen helpen groeien en bloeien. Een positieve kijk op onze leerlingen helpt ons om terug te keren naar die oorspronkelijke motivatie – en daar worden we allemaal beter van.

Het omkeren van overtuigingen is een proces, geen eenmalige gebeurtenis. Het vraagt om bewustwording, oefening en doorzettingsvermogen. Maar elke stap in de richting van een positievere kijk op leerlingen is een stap in de richting van beter onderwijs. ZoOnderwijs ondersteunt docenten en teams graag in deze omslag. Met gerichte individuele coaching of een teamtraining in combinatie met lesbezoeken en coaching behoren tot de mogelijkheden. Meer weten? Plan via deze link een vrijblijvend gesprek in.